zondag 29 januari 2012

Banket

Terwijl er lachsalvo's ronddwalen
Door een adem verlost
En van woorden, langzaam vermalen
Het breken van de korst

Het korrelt eindeloos in magen
De vraatzucht leeft weer op
Tot het einde der dolle dagen
De gratie in galop

Weerklinkende glazendood
Het bang vergetelijk oog
De kogels lieflijk verloot
Wat rest ons morgen nog?

donderdag 12 januari 2012

Ba(r)st

Ik wilde enkel
Zoethout
De warmte in jouw kraag
Trillend door jouw klank

Ik wilde alleen
Mahonie in de tuin
Voor de ruit een zwaaiende tak
Het openbloeien van een houterige hand

Ik wilde enkel
Dat stukje vel boven jouw voeten
De stam van jouw bestaan
Wilde alleen ik zijn

vrijdag 9 september 2011

Een beetje

Ik lijk je te missen, elke dag een beetje meer.

Ooit was er de hemel in de vorm van een plafond, maar wij zagen er sterren in, en hemellichamen.
Drink tot in je keelte, tot je kilte overwaait; mijn sjaal houdt de sneeuw niet langer tegen.
Ik omarm mijn armoede in kalme, gedreven slagen en knabbel op mijn krakende duim.
Geniet van mijn warmte, blijvend en alleen, ze krijgt haar gave dagelijks gerantsoeneerd.
Maar over sterren en kraters, zoveel gaten en niets dan sterrenstof, om de leegte mee te vullen.
De leegte, geslagen en verslagen door vurige vraatzucht en gretigheid, vult ons plafond, dat wit.

Een beetje lijk ik je, elke dag meer.

woensdag 7 september 2011

Mnemosyne

Mijn ogen flikkeren waanzinnig totdat mijn hersenen
verwerken wat ze niet willen weten, niet weten, niet weten
en de opruiende stomp in mijn maag mijn ingewanden naar buiten
doet breken en zich om mijn nek sluiten en verstikkend strengelen
koudbloedig en paars zijn mijn handen; mijn handen alleen
zonder houvast, zonder een grot van mannenhanden om zich
in te verbergen, te herbergen bij het vuur; het vuur van warmte
en genegenheid, het vuur van passie, zo anders dan de zee;
de zee van alles en niets, en van doorgedraaide wonden die al lang,
zo lang, genezen hadden moeten zijn.

'Ik weet beter maar niet beter', las ik.

Draaiend rond mijn eigen as klikken de revolvers in het rond
Zeeziek en zeezoek verwijnen ze in de massa van kolkend en kokend,
van verborgen herinneringen, naar Mnemosyne toe, die roept:
Vergeet, vergeet niet, behalve de wonden in je huid
Gegriefd graaf ik diep in mijn borst naar de kerven
wiens bestaan ik lang ontkend heb en zal
Tenzij haar bijtende zoutheid mij tot een bekentenis werpt.

'Ik weet beter maar niet beter', begreep ik.


----------------------------------------------------------------


Ik weet beter maar niet beter is een zin uit het boek Print is Dead.

dinsdag 16 augustus 2011

Automatisch schrijven #2

Wij duwen en trekken
Onszelf in de eindeloosheid
Jij spuugt woorden als een jakhals
En ik jank, verwond, in een hoek
Klanken te melodieus krassen we
Kraaiend enkel nog schrift
Letters, mijn maagdelijk wit bedekt
Tot een storm vol assen de hemel zwart
Ik strek mijn hand uit en gom
en gom en gom en gom en gom

Magneet, ik ban je
Magneet, ik pool je
Als een aardbol zonder evenwicht
Los me op in zandkorrels
Zodat de zee me meevoert
Naar een epos, naar monsterige meren
Naar daar waar de stilte de eeuwigheid verschuilt
Naar een hemel, wit
En een blad, vlekkeloos
Naar de realiteit waarin ik en jij
Geen ronddwalen, maar onbestaand is


Mijn excuses voor het recente onbewerkte werk. Ik ben ondertussen bezig aan een toneelstuk ('Oak') en mijn roman ('Brieven aan mijn liefste') staat -nog altijd- in haar kinderschoentjes.

zaterdag 4 juni 2011

Automatisch schrijven

Zo bang ben ik zo bang

Mijn wereld klein mijn liefste
groot was ik nooit maar
eerlijk dat wel en ook
al hielp dat niet het
deed pijn maar goede pijn
de pijn van het wordt wel
beter straks snel en van
even korte pijn en dan
het walhalla van jouw zoenen
en dan gerust zijn in
stilte en kijken en verdwalen
want jouw handen zijn zo
groot zoveel groter dan
ik en ze pakken me in
zoals jij mij inpakt en
ontvouwt blaadje voor vouwtje
en mij ziet en wauw zegt en
ik weet dat het fout is maar
ik zie enkel je lippen en ik wil
ze voelen zegt en ik glimlach
en antwoord niet maar ik wil ook
heel graag jouw lippen
en mijn lippen als dat
kan nog even maar dan
gebliep en besef en alles
wat mooi was wordt fout
maar jij vindt het niet erg
of toch en dan zoen je me
opnieuw en ik geef toe opnieuw
want ik wil en jij wil maar zij
wil niet dus verstoppen en geheim
en alles lijkt verkeerd
maar jij pakt mijn hand en
zegt dat alles wel goed
komt en ik slik en ik geloof
en ik verstik mezelf om jou
niet te verstikken maar jij
ziet mijn wanhoop niet en
vertrekt maar niet zonder
een kus en dan slaat de
deur dicht en ben je echt
weg en ik alleen echt
verlaten voor een ander
maar wacht ik ben de
ander dus als zij de ene
is en ik de ander
wat ben jij dan?

maandag 30 mei 2011

Zilte zoen

De zilte zoen kuste haar mond en tevreden liet ze haar begaan. De zee, machtig en bewonderenswaardig sereen, die haar liefde had gestolen, slokte haar nu hondsdol en met schuimende mond op. Ze kende geen angst, geen twijfel. Haar longen vulden zich met water; ze proefde de zoute korrels door haar maag gutsen. Ze kuchte, proestte lachend, alsof ze niet van Poseidon, maar van Bacchus bezeten was. Haar lach klaterde tegen de klippen en werd beantwoord door een zwerm meeuwen, die door de spanning van de nakende dood des te levendiger rondcirkelden. Waanzin dwaalde in haar ogen, die tevergeefs de blauwte gadesloegen.

"Ik vertrek morgen", hoorde ze hem zeggen. "In jouw conditie zou ik echter niet naar de haven komen. Je weet nooit wat er gebeuren kan." Zelfs in het eeuwige duister zag ze zijn walging. Walging van wat er haar overkomen was, walging van wat zij nu was. Walging van zijn beslissing. Ze voelde zijn priemende blik, en de echo van het waarom. Ze rook zijn zenuwachtige transpiratie, hoorde hem nerveus aan zijn arm krabben. Hij keek in het rond, maar zij wist dat hij weg keek. Weg van haar en haar dode oogopslag. De stilte werd gebroken door het gekrijs van een meeuw, haast opjuttend. Ze zweeg.
"Godverdomme", riep hij, "Godverdomme, Iris. Kijk niet zo." Hij liep naar haar toe, ze voelde de warme schaduw van zijn lichaam over zich vallen. Ze wist dat hij probeerde, wanhopig. Maar ze zou zijn aanblik nooit meer kunnen beantwoorden. Zwijgend liet ze haar hoofd zakken. Hij stond recht, schopte gefrusteerd een stoel omver en stormde naar buiten.


Hemel en zee werden één, terwijl ze haar armen om zich heen sloeg.Haar jurk voelde zwaar, haar schouders trokken haar naar de diepte. Ze voelde haar krachten wegebben, het lachen was haar vergaan. Ze schreeuwde nu, een geschreeuw vanuit haar diepste binnenste, gevuld met gitzwarte klanken en een ondertoon bitter als gal. Een laatste kreet verliet haar lippen -nu ook al blauw- gevolgd door een schuimend geruis. Er was geen worsteling, enkel het heen en weer van de golven. De zee bleef onveranderd achter. Enkel het gekwetter van de meeuwen resteerde.