zondag 16 januari 2011

Ontmoeting (Uit: Een tekstboek voor jonge en hopeloze romantici)

Een jongeman zit op een bankje, in een park. De bomen zijn fruitig, de lucht ook. Het gras is groen en de zon fel. De jongeman zit rustig; hij wordt nergens verwacht. Enkel in een park. Enkel op een bank.
Een meisje ligt in het gras, hetzelfde gras als dat van het park; het is immers even groen. Het grasperk bevindt zich per toeval tegenover een bank. Op die bank zit de jongeman. En zo ziet de jongeman het meisje.
Hij opent zijn rugzak, die naast hem op de bank staat, en haalt er een pen en een blok papier uit. Hij denkt lang en diep na en schrijft:
'Liefste meisje'
Hij stopt en aarzelt. 'Liefste', kan dat wel? Hij doorstreept en herbegint.'Beste' en 'Waarde' ondergaan even later hetzelfde lot. Hij houdt het dan maar op 'Meisje'. Komma. En bedenkt zich dan dat er volgens bepaalde conventies achter een aanspreking geen komma meer mag worden gezet. Hij zucht en kijkt weer naar het meisje.

Ze ligt nog altijd even vredevol in het gras, haar rode haar gedrapeerd over een schouder, armen naast haar zij, haar borst gaat langzaam op en neer. Ze draagt een witte jurk en haar voeten zijn bloot. Een paar sandalen staat verveeld naast haar rechterhand.

'Ik vind je...' schrijft hij en hij knauwt op zijn pen. 'Ik vind je' of 'ik vond je'? Hij zocht haar immers al lang, en daar lag ze dan.
Zomaar.
Opeens.
Per toeval.
In hetzelfde park, op hetzelfde moment.
'Mooi verhaal voor later', bedenkt hij met een glimlach.

Ook zij glimlacht, want de zon is fel en de bomen fruitig en dat voelt ze. Ze beweegt haar linkerhand en voelt tot haar schrik geen paar sandalen. Vlug beweegt ze haar rechterhand en is gerust.

Inmiddels is de jongeman tevreden. Hij scheurt het papier van het blok en legt het naast zich neer .Zijn pen en de rest van het blok gaan de tas weer in. Hij staat op, ademt diep in en uit en draait zich om met de brief in zijn hand.

Het meisje voelt de warme nabijheid van een persoon. Ze ruikt een vertrouwde geur. Ze opent haar ogen en glimlacht en zoent en omhelst.

Op een bankje in een park, tegenover een groen grasperk, ligt een verlaten brief.

zondag 7 november 2010

Ware valsheid {2008}

Wijsheid opent haar ogen
Stilte in de dag
Kijken naar wat nergens is
wat nooit gehoord
of
ooit gevoeld
zal zijn

Kronkelende, krullende, krioelende lijnen
doorbreken
gitzwarte lichtvlekken
en ze ziet
wat nooit gezien
of
ooit bekeken
zou zijn

De ware valsheid schuilt in wanhoop
De valse waarheid is niets meer dan dat

zaterdag 30 oktober 2010

/

Achter gesloten deuren
Fluisterende glimpsen
Zucht
Zoen

Heimelijke woorden
Zonder enig belang
Trek
Duw

Afstand neem ik
niet
Duw
Trek

Alles komt goed
Toch?
Zoen
Zucht

zondag 17 oktober 2010

Dit is ook Londen.

Ik loop door de straat en stel me vragen over de dingen.
De dingen die ik zie, de dingen die ik hoor, zelfs de dingen die ik ruik en de dingen die ik denk. Voor mij is lopen immers denken. Lopen is de enige manier om even los te staan van de rest, want zodra je stil staat, word je aangeklampt. Aangeklampt voor een gesprek, voor wat geld, voor een uitleg waarom je stil staat in de altijd bewegende wereld. Woorden blijven dan rollen, zonder dat ze iets zeggen. Mensen spreken zonder nadenken, enkel het rollen van de woorden doet ertoe. Dus loop ik. Ik loop om er even bij stil te staan.

Ik kijk rechts van me. In een pub staan ze te pronken: de mannen in pak, druk pochend tegen de vrouwen in kokerrok, die de onzin met een nooit aflatende lach aannemen, in de hoop een promotie of -beter nog- een huwelijk af te dwingen. Het enige wat ik zie, zijn de vlekken die de donkerrode lippenstift achterlaat op hun tanden, de onzekere trilling in één van de wenkbrauwen, of in één van de vlekkeloos gelakte vingernagels, die wanhopig een glas alcoholische moed vastgrijpen. Ik zie de zweetdruppeltjes op het voorhoofd van de mannen, wiens buikomtrek je meteen vertelt hoe lang ze al in dit spel zitten. Hun ogen flitsen naar decolletés, naar de plek waar de rok het strakst zit; hopend, wachtend die snel verder te kunnen onderzoeken. Vanavond moet het gebeuren. En liefst zo snel mogelijk. Morgenvroeg bespreken ze immers weer het veroveren van de wereld.

Ik draai mijn hoofd om en loop verder, langs de theaters. Ik loop langs nachtwinkels, waar de mannen elk even verveeld achter de kassa zitten; de hand onder de kin, blik op oneindig. Een eindje verder bidt een groepje moslims samen het avondgebed, terwijl de Scientology-lui gretig folders verdelen om ieder te voorzien van het ultieme geluk. Mijn pas versnelt. Ik hoor het geslof van mijn voeten, mijn eigen ademhaling. Hijgend vlucht ik weg van de godsdienst, en van de verveling, en van de kunst.

Een abrupt rood houdt me tegen. Ik kijk weer, ik zie weer. Een paar ogen klikt met de mijne, om zich daarna weer nerveus naar het verkeerslicht te keren. Ik blijf echter kijken, verwonderd om de ruwe schoonheid, die hier niet thuis lijkt te horen. Te puur, te ongepolijst. Te echt. Even geen rumoer, enkel blauwte. Ook ik word bekeken. Ben ik ook blauwte? Die seconde stilte en staar?

Het licht springt op groen, korte inademing; ik loop verder. De blauwte en de stilte zijn verdwenen. Auto's rijden net iets te dicht bij fietsers, rokers staan buiten te filosoferen, pendelaars lopen gestresst langs elkaar, schoolmeisjes kakelen voorbij, studenten dragen hun boeken op hun borst, toeristen staan verdwaald iedereen in de weg. En ik loop.

dinsdag 17 augustus 2010

Hanover Square

Luister in de verte
In het gebladerte
Kijk naar het gesnater
Naar het gezoem
Voel de hete adem van de nabijheid

Omarm het koude beton
Met hier en daar een deuk
Adem tot een ander
Je lucht weg telefoneert
Voel de hete adem van de nabijheid

Zucht gelukzalig
Met je tenen bloot
Probeer door de massa
De mensen te zien
Voel de hete adem van de eenzaamheid


Naar aanleiding van een middag op Hanover Sq, London

dinsdag 3 augustus 2010

Dissonant

Deze schrijfproef was een deel van de toegangsproef Woordkunst/Drama voor Herman Teirlinck in Antwerpen. Voor de nieuwsgierigen: ik ben geslaagd.

Er hangt dissonantie in de lucht. Of dat komt door de onfortuinlijke combinatie van pianotoetsen die het hoofd heeft aangeraakt, of enkel doordàt het hoofd de pianotoetsen heeft aangeraakt, is niet duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat het hoofd aan een man behoort, die zich samen met de piano op een podium bevindt. Een podium, omsingeld door horden toeschouwers, hongerig naar wat zielverdovend vertier. De menigte danst en kijkt en ziet en voelt. Ze lalt en luistert, terwijl één van hen geruisloos beseft.

‘Haar ogen die glanzen in rood neonlicht’, zong hij daarnet nog. Hij zong over Lolita, hij dacht aan haar. Zij stond ergens achteraan in het publiek en deed alsof ze zich daar thuis voelde. Overal handen, overal vieze, vochtige lichamen en overal die geur. De geur van oud. Geen oud als in vertrouwd, maar als in verwelkt. Ze stond in een bejaard bloemenveld, en wou niets liever dan iedereen die zich rond haar bevond potsierlijk plat trappen. ‘Ik kreeg het knap benauwd, maar 't heeft me niet berouwd’, klonk het op de achtergrond. Ze grinnikte.

Stilte. De klank dijt uit, net als het feestgedruis. Blikken worden uitgewisseld, voorzichtige fluisterpogingen wervelen rond. Alle beweging komt tot stilstand. Tot: een lach. Een lach, die zich onmiddellijk verspreid. Een lach, zo aanstekelijk dat iedereen, willen of niet, er deel van uitmaakt. Breed gelach wordt stilaan vervangen door nerveus geknor. Zij duwt en elleboogt zich een weg naar buiten, uit het rumoer, uit de geur, uit hun onwetendheid.

Elk van hen brulde overtuigd mee: ‘Ik raakte van slag door wat ik toen zag’. Beelden flitsten door haar hoofd: ziekenhuizen in al hun mufheid, dokters en specialisten, beiden herkenbaar door diezelfde blik van geveinsde bezorgdheid en hun smetteloze witte jassen, en de pillen. God, het waren zo veel pillen. Een blauwe ’s ochtends, gevolgd door een witte, ’s middags twee gele, ’s avonds drie rode en – als het echt niet ging – nog een extra witte tussendoor. Hij slikte gewillig, deed alsof het allemaal in orde kwam, en zij speelde het spelletje maar al te graag mee. Tot ze op die ene ochtend - zij was al wakker en hij sliep nog - een brief zag liggen. Een brief, gestempeld: Meander Medisch Centrum, Amersfoort. Met de brief in haar handen sloop ze naar de badkamer, waar ze hem zo zacht mogelijk open scheurde. De letters vlogen aan haar ogen voorbij. Eén woord bleef op haar netvlies gebrand: terminaal.

Ze staat inmiddels buiten de massa en probeert tevergeefs naar wat adem te happen. Een vrouw van zekere leeftijd loopt voorbij en vraagt of ze zich wel goed voelt. De rimpels op haar gezicht lijken haar uit te lachen: zij, met haar gladde, strakke huid en haar jonge, bruine haar, hoort hier immers helemaal niet te zijn. Zij hoort hier niet naar hem te komen luisteren en ze hoort nog veel minder zo liefdevol naar hem te kijken. Ze antwoordt de vrouw niet, maar draait zich om en begint te lopen. Ze rent voorbij de strompelende enkelingen die zich niet voor het podium verschanst hebben, langs de ingangspoort, via de propvolle rolstoelparkeerplaatsen naar haar auto, waar ze zich buiten adem laat neerzakken in de passagiersstoel. Hij rijdt immers, want ‘het maakt hem niet uit hoe oud hij is, hij is de man, en de man zit nu eenmaal achter het stuur’. Hij rijdt. Of is het nu al ‘hij reed’?

Zachtjes zong ze mee: ‘Ik zei nog ‘Niet doen!’’. Zijn blik leek heel even de hare te kruisen, maar zocht al vlug een nieuw paar ogen in het publiek. De joligheid heerste: ze zat in iedere glimlach, in iedere heupbeweging en in ieders gefluit. Hij maakte zich klaar voor de apotheose, het refrein waarin de tekst vervangen werd door een uitnodigend en allesomvattend ‘la’, waar elk zich persoonlijk in zou kunnen vinden. Hij ademde diep in en zong geen noot meer. Zijn hoofd plofte neer op de pianotoetsen.

De zwaailichten en het irritante deuntje lijken hier op één of andere tragische manier thuis te horen. Ze kijkt nog even achter zich en ziet de ambulance wegrijden, gevolgd door een horde kwetterende oudjes, de één nog enthousiaster dan de ander over wat ze zonet hebben meegemaakt. Ze zet de radio op en kijkt in het raam. Een vrouw, niet ouder dan 26, staart haar wezenloos aan. Ze weet echter dat dit beeld geen spiegelbeeld is. Want zij, Ellen Apers, schoonmaakster en minnares van Carlo Gabriël, 71, huilt niet. Nooit.

zondag 20 juni 2010

FAQ

Vraag mij te lachen
om alle herinneringen
Vraag mij te huilen
om de goede
Vraag mij over duizend woorden
en ik overspoel je met zin

Vraag me te dansen
samen in de eenzaamheid
Vraag me meer te geven
en de voldoening te legen
Vraag me te kennen
en ik houd een spiegel voor

Maar voor de liefde,
alsjeblieft,
vraag me vragen
waarop ik de antwoorden niet ken